Reformatorisch Dagblad, maandag 27 augustus 2001
Zwitserse organisten leren ambachtelijk improviseren
Door W. J. Eradus
"Je leert een klein kind toch niet eerst lezen en schrijven in de hoop dat het later ook nog cens gaat praten? Toch gaat het vaak wel zo in de opleiding aan onze conservatoria. Muziek is ook een taal die moet leven. Aan muziek lezen moet het muziek spreken voor afgaan." Gaël Liardon, organist van de Duitstalige Villamont Kirche in het Zwitserse Lausanne, is een warm pleitbezorger van de kunst van het improviseren. In de afgelopen week werd in Lausanne voor de vijfde keer het improvisatiefestival gehouden.
Gaël Liardon maakte kennis met het improviseren nadat hij in contact kwam met orgelbouwer Felsberg uit het kanton Graubünden. Deze had de opdracht gekregen in zijn kerk een nieuw vijftienstems orgel te bouwen. "Ik raakte met name gefascineerd door de muzikale uitstraling van de intonateur, Jean-Marie Tricoteaux. Hij beheerste niet alleen het vormgeven van de pijptoon perfect, maar kon ook erg muzikaal improviseren. En al leerde ik op het conservatorium op een goede manier van bladmuziek te spelen, toch was deze spontane muzikale omgang met het instrument geheel nieuw voor mij. Heel gek eigenIijk, want Jean-Marie maakte vrij simpele muziek, maar toch deed het me meer dan menige geschreven compositie. Je proeft op zo'n moment meer dan anders het rechtstreekse contact met het instrument."
Geen potjeslatijn
Deze onverwachte, maar wel indringende ervaring heeft Liardons kijk op musiceren
beslissend veranderd. "Muziek is geen potjeslatijn maar levende taal. Het
maken van muziek moet dan ook meer spreken zijn dan lezen. En met dat spreken
bedoel ik het improviseren in een directe wisselwerking met het instrument.
Als je erop gaat letten, zie je dat ook in oude geschriften terug. Zo stelde
François Couperin in zijn boek "L'art de toucher le clavecin" dat je aan leerlingen nooit een partituur moet uitdelen voordat ze zelf al spelend
wat variaties op dat thema kunnen maken. Couperin wilde op die manier afdwingen
dat Ieerlingen door het imiteren van de voorbeelden leren zelf improviserend
muziek te maken. Improvisatie is daarorn niet een specialisme voor de enkeling,
maar een noodzakelijke vaardigheid om muziek te maken als een levende taal."
Op de Zwitserse conservatoria bestaat zeker voor organisten nauwelijks een mogelijkheid
te leren improviseren, zegt Gaël. "De enige positieve uitzondering
is de Schola Cantorum in Basel, waar Rudolf Lutz het improviseren als specialisatie
al aardig van de grond heeft gekregen. Daarom heb ik, vanuit een soort innerlijke
drang, de stoute schoenen aangetrokken om jaarlijks een festival rond het ambachtelijke
improviseren te organiseren. je merkt dat het draagvlak voor deze benadering
groter wordt. En dat is toch niet niks in het nogal conservatieve Zwitserse
orgelwereldje."
Vaste schema's
Het hart van het festival klopt in de vijf workshops. De deelnemers, meest jonge
Zwitserse organisten, zitten zo veel mogelijk in een kring rond de speeltafel
van een pijporgel.
Emmanuel Le Divellec, docent orgel ? aan het conservatoriurn van Bern, geeft
bijvoorbeeld een cursus stijlimprovaties volgens de Frans-klassieke traditie.
Het blijkt dat componisten als Marchant, Couperin en De Grigny vaste akkoordschema's
en motiefpatronen gebruikten. Ook de bijpassende registraties hebben een voorspelbaar
patroon. Vaktermen als "grand plein jeu", "petito plein jeu",
"lamento's" en "chants en taille" worden spoedig gesneden
koek.
Le Divellec doet met Frans elan een aantal basisvormen voor. Wie durft de uitdaging
aan om op basis van een zelfgekozen thema iets dergelijks op het orgel te improviseren?
Opvallend is het hoe snel sommigen deze karakteristieke muziek in de vingers
krijgen. De vaste werkschema's van de Frans-klassieke slag geven kennelijk voldoende
houvast om snel resultaat te boeken.
Die ervaring deelt de Nederlandse docent Erik?Jan van der Hel nu niet bepaald
als hij de studenten een dag later probeert de beginselen van het improviseren
in de fugavorm bij te brengen. r Hoewel de meesten een volledige conservatoriumopleiding
achter de rug hebben, blijkt het improviseren van een fuga aan het klavier problematisch.
Een tweestemmige aanpak gaat nog aardig, 1 maar bij driestemmige fuga's raken
de meesten het spoor al bijster.
Dit verbaast Erik?Jan echter niet. "Het orgelmuziekonderwijs in Zwitserland
is praktisch helemaal gericht op het reproduceren, het interpreteren van bestaande
literatuur. Natuurlijk krijgen de studenten wel de bijbehorende f theoretische
onderbouw, maar die wordt niet praktisch met improvisatieoefeningen ondersteund."
Erik?Jan glundert nog als hij een ervaring van het festival van twee jaar geleden
ophaalt. "Mijn Amerikaanse collega William Porter en ik zouden samen een
improvisatieconcert in de evangelische kerk van Villamont verzorgen. Porter
wilde graag een dag van tevoren de briefjes hebben waarop de thema's stonden.
Dan kon hij zich alvast rustig voorbereiden. Niemand vond dat raar. Daarom keek
iedereen vreemd op toen ik vlak voor mijn concert nog een paar papiertjes uitdeelde
met de vraag daar een leuke notenreeks op te krabbelen. Ze vonden mij maar een
vermetele waaghals. En enthousiast dat ze na afloop waren, toen bleek dat het
op die manier ook lukte. In Nederland hebben we toch wel een behoorlijke traditie
op dit punt."
Improvisatieconcert
Als om zijn woorden te onderstrepen geeft Erik?Jan op het nieuwe Felsberg-orgel
in de église St. Paul een improvisatieconcert. Ter plekke wordt een thema
opgegeven, waar de organist een passacaglia (letterlijk: hanenpas) en fuga mee
opbouwt. "Ik kies hiervoor een stijl à la Buxtehude, omdat die het
orgel als het ware op het lijf is geschreven." Hierna een aantal variaties
over Lied 12 uit de lijvige liederenbundel van de Zwitserse protestante kerken.
Als de oude Lübeckse organist dit evenwichtig opgebouwde spel op het schnitgeriaanse
instrument kon horen, zou hij zich er zeker in herkennen. Dit kerklied, dat
overeenkomt met Psalm 18, krijgt eveneens een klassieke behandeling met een
rijk versierde melodie in de sopraan, die later terugkomt in tenor? en de basliggingen.
Het opkomende gevoel dat deze jonge Ermelose organist zich alleen maar in de
barokke stijl kan uitdrukken, wordt ontzenuwd door de volgende improvisatie
in "verschillende stijlvariaties". Tegen de achtergrond van enkele
uiterst wrange akkoorden schieten schichtige toonreeksen door het kerkgebouw.
Het doet denken aan de moderne schilderkunst. Een streep en een klodder. Ik
dien te beseffen dat kunst niet noodzakelijk het esthetisch genot dient. Het
gaat om de boodschap. Maar toch.
Na dit atonale palet van dissonanten wordt de stijlklok gelukkig weer enkele
decennia teruggedraaid. De nu gekozen melodie van "Von Gott will ich nicht
lassen" leidt tot speelse dialogen tussen de fraaie fluiten en de karaktervolle
tongwerken... Ik voel me er bepaald beter bij.
Perorgano
Met name voor zijn privé?leerlingen ontwikkelde Erik?Jan een lesmethode
waarin het improviseren een belangrijke plaats heeft. Op een terrasje in Ouchy,
aan het zonovergoten meer van Genève, vertelt Erik?Jan hier meer over.
"Improviseren is een oud muzikaal ambacht. Componisten werkten vaak vanuit
bestaande muzikale vormen en maakten daar hun eigen variaties op. Ook de grote
Bach schaamde zich daar niet voor. Muziek was vooral gebruiksmuziek, waarbij
improvisatie een grote rol speelde. In de wereld van de jazz is het improviserend
muziek maken en het op elkaar inspelen nog steeds vanzelfsprekend. Jammer genoeg
is het improviseren in het reguliere orgelonderricht min of meer uit het zicht
verdwenen en hebben veel talentvolle organisten een soort koudwatervrees. Juist
daarom wil ik het improvisatieaspect weer terugbrengen in mijn manier van lesgegeven.
Voor de herkenbaarheid gaf ik deze aanpak een naam mee: Perorgano. Ik wil mijn
leerlingen graag meer leren dan het foutloos en liefst ook muzikaal naspelen
van bladmuziek. Als lesmateriaal gebruik ik een leerboekje met duo's van Daniel
Gottlab Türk uit de tweede helft van de achttiende eeuw. Juist in die tijd
kwamen steeds meer mensen erachter hoe leuk het was om zelf thuis muziek te
maken."
Ermelose school
Wat vindt Erik?Jan dan van de bekende leerboekjes van Folk Dean? "Op zich
best aardig, maar de leerling wordt direct op het spoor van het muziek lezen
alleen gezet. Daar zou zeker de improvisatieontdekkingstocht aan moeten worden
toegevoegd, om sluimerende creativiteit wakker te maken. Zelf heb ik het plan
een alternatieve methode in bockvorm te gieten, maar dat kost wel veel tijd."
Maar Gerrit 't Hart doet toch ook al zoiets? Breed grijnzend: jawel, ik denk
dat we aardig op dezelfde golflengte zitten. Tenslotte komt hij ook uit Ermelo." Blijkbaar groeit er in de improvisatiecultuur zoiets als een Ermelose School.
